2015. Een terugblik.

2015. Een terugblik.

17-01-2016

Ik val maar meteen met de deur in huis. 2015 was geen goed onderzoeksjaar.

Ik heb geen artikel gepubliceerd als eerste auteur. Ik won geen prijs voor het beste artikel, geen prestigieuze award en geen stipendium dat mij aanmoedigt om mijn wetenschappelijke loopbaan voort te zetten. En misschien belangrijker; ik zag geen subsidievoorstellen gehonoreerd zien worden. Noppes. Nada. Niente.

In mijn functie als postdoc is het enorm belangrijk dat je jezelf onderscheidt van al die andere jonge, talentvolle onderzoekers. Ambitieuze mannen en vrouwen die een eigen onderzoekslijn willen opbouwen. En graag op een universiteit willen werken. Als onderzoeker. Met een vaste aanstelling. En hoe kun je je als postdoc onderscheiden? Juist. Door prijzen te winnen, artikelen te publiceren en gelden te werven voor nieuw onderzoek. Zodat je de concurrentie net dat ene stapje voorblijft.

Geweldig mooi als jij verantwoordelijk bent voor het plannen van vakgroepbijeenkomsten of altijd degene bent die zo’n goede vragen stelt tijdens presentaties, maar als je geen geld binnenhaalt voor je onderzoek dan is het snel afgelopen met je onderzoekscarrière. En blijft die vaste aanstelling als onderzoeker aan een universiteit een stip aan de horizon.

En met een aflopende aanstelling aan de Radboud Universiteit, was het toch leuk geweest als ik nog een laatste duit in het zakje had kunnen doen. En mijn CV had kunnen uitbreiden met een paar mooie prijzen of subsidies. Na het lezen van dit  artikel in de Volkskrant afgelopen weekend, weet ik echter waar het misging in 2015. En wat mij in 2016 te doen staat.

In 2014 lukte het mij om een perfecte subsidiescore te halen. Ik schreef 3 voorstellen. Die alle 3 gehonoreerd werden. In 2015 wilde ik dit zelfde trucje uithalen. Om te laten zien dat dit geen ‘toeval’ was. En dat ik toch echt wel een vaste aanstelling verdiende. Voordat mijn contract zou aflopen. Als hoofd- of medeaanvrager schreef ik daarom 4 nieuwe subsidievoorstellen. Net als in 2014; schrijven en binnenhalen. Hoppa!

Om onderzoeksideeën om kunnen zetten in klinkende munt dien je een voorstel te schrijven waarin je geen ruimte laat voor fundamentele kritiek. En dat kost tijd. Veel tijd. Tijd die besteed dient te worden aan denken, reflecteren, nog eens denken en uiteindelijk schrijven (terwijl je verder denkt). Kortom, een goed voorstel schrijf je met een analytisch brein. Via een route die intentioneel, bewust en logisch is. De route die ik in 2014 bewandelde. Een route die veel energie kost. Heel veel energie.

Het afgelopen onderzoeksjaar zag er iets anders uit. In 2015 liet ik mij leiden door mijn automatische, associatieve systeem. Een systeem dat gebaseerd is op impulsief gewoontegedrag. Omdat ik me wilde bewijzen. Omdat ik wilde laten zien dat ik mijn ideeën kon omzetten in klinkende munt. Ik ging voor kwantiteit in plaats van kwaliteit. En reageerde vooral op het hier en nu. Ad-hoc zoals je wilt. Noem het rennen zonder nadenken. Omdat ik dacht dat het van mij verwacht werd. Zodat ik me kon bewijzen binnen de kritische academische wereld. In het laatste jaar van mijn aanstelling.

Helaas. Pindakaas. Geen subsidies. Wel een aflopend contract. En geen uitzicht op een nieuwe aanstelling. En nu? Om de perfecte beslissing te nemen wordt mij in hetzelfde artikel in de Volkskrant aangeraden ‘om een bewuste dialoog aan te gaan met mijn onderbewuste systeem, door te reflecteren, om er achter te komen wat ik echt belangrijk vind’.

En dan wordt het spannend. Wat vind ik nu echt belangrijk? Is dat erkenning krijgen door zoveel mogelijk publicaties te schrijven en onderzoeksgeld binnen te halen? Of wil ik gewoon goed onderzoek doen? Waar ik enthousiast van wordt? Waar ik energie van krijg? Doe ik wat ik denk dat ik zou moeten doen? Of bewandel ik mijn eigen pad? En doe ik wat voor mij goed voelt.